Outside in

20e zondag door het jaar, 16 augustus 2020
evangelie: Mattheüs 15,21-28
Jesaja 56,1.6-7. Psalm 67. Romeinen 11,13-15.29-32

“Het is niet goed dat het brood voor de kinderen bedoeld aan de honden wordt gegeven” [Mt 15,26]. Zo was de algemene redenering 20 eeuwen geleden: er waren uitverkorenen, zij die uitgekozen waren om deel uit te maken van Gods volk, en de rest van de wereld mocht ten dienste staan van Gods volk; zij zouden in Gods ogen van nul en generlei waarde zijn [Js 40,17: deutero-Jesaja]. Er waren dus mensen die erbij hoorden, en vreemdelingen die er niet bij hoorden.

Het lijkt alsof Jezus met het Evangelie iets gehéél nieuws brengt: dat iedereen van goede wil welkom is bij God; dat iedereen die zich naar de Eeuwige toekeert, erbij hoort [Mt 11,27v]. Maar in feite vervult Jezus zo een joodse traditie die al bestond [trito-Jesaja]. We hoorden erover in de Eerste lezing: God openbaart bij monde van de profeet Jesaja dat zij die als vreemdelingen werden bestempeld, kinderen worden in Zijn huis [cf. Ps 87. Ef 2,11-22]. Dan gaat het niet alleen over buitenlanders, maar ook over mensen van het eigen volk die gemarginaliseerd werden; lees Jesaja 56 er nog maar eens op na [vs. Dt 23,2-9].

Het vervullen van deze profetie van Jesaja, was wel een choc voor de mensen in Jezus’ tijd: angst voor vreemdelingen en voor mensen die niet in ons “ideaalbeeld” passen, is echt niet iets van de laatste tijd. Jezus openbaart ons dat niet de afkomst en de status quo van de mensen bepalend is voor hun heil, maar dat hun toekomst bepalend is: wie willen leven met God, wie het verlangen hebben om zich met Hem te verbinden, zullen ook van Hem het goede ontvangen. M.a.w., onze liefde en ons geloof zijn maatgevend, niet waar we vandaan komen, ons geslacht, onze geaardheid, de kleur van onze huid of de kleur van onze ogen [cf. Mt 19,12. Ga 3,28].

Zo zien we al meteen aan het begin van het Mattheüsevangelie dat magiërs uit het Oosten als eersten Christus mogen aanbidden [Mt 2,1-12 cf. Mt 19,30. 20,16]. En na de verrijzenis worden de apostelen gezonden om àlle volken bekend te maken met het Evangelie en hen door het doopsel op te nemen in de Geloofsgemeenschap [Mt 28,16-20].

Maar vandaag gebeurt het dat deze niet-Joodse vrouw zèlf het initiatief neemt! Zij is a.h.w. een beetje te vroeg; Jezus wil Zich [in het Mattheüsevangelie, geschreven voor de Joods-christelijke gemeenschap] eerst richten tot Zijn eigen, Joodse mensen [Mt 10,6. Mk 7,27 vs. Lk 9,1-6. 10,1-16]. Na de Kruisdood en de Verrijzenis zouden zij dan onder alle volken het geloof verspreiden. Jezus is echter zeer onder de indruk van haar gelovige verlangen en de liefde voor haar kind. Dat gebeurt vaker in het Evangelie: mensen die er niet bij lijken horen, blijken een geloof en een liefde te hebben, die die van het “eigen volk” ver overtreffen [bijv. Mt 8,10. 27,54 cf. de onmiddellijke bekering van Ninevé in Jon 3,1-9 in contrast met Jona’s opstelling].

Het is goed om te zien dat tot dan toe niemand uit het Joodse volk Jezus “Heer” of “zoon van David” heeft genoemd [Mt 15,22 cf. 20,30v]. Deze buitenlandse vrouw doet dit wel en smeekt Hem dat haar dochtertje bevrijd worde van het kwade [Mt 15,22]. Zij vraagt dit, omdat zij gelóóft, erop vertrouwt, dat Jezus dit kan [cf. Mt 9,18. 13,58]. “Geef mij tenminste een kruimeltje van het Brood!” [cf. Mt 15,27] Jezus wil haar vanwege haar grote geloof niet laten wachten. In Zijn barmhartigheid laat Hij deze vreemdeling voortijdig delen in het goede van God. Het gelovige vertrouwen van deze vreemdeling, “een vrouw nog wel” – die telden toen niet echt mee [cf. Mt 14,21. 15,38] – wordt van Godswege gezien en beantwoord. Jezus zegt haar: “Laat het gebeuren zoals jij wilt” [Mt 15,28a].

Deze houding van Jezus geeft in onze tijd te denken: overal ter wereld zien we “vreemdelingen”, christenen en andere Godzoekers, vluchtelingen, allerhande minderheden en vrouwen smekend om veiligheid, rechtvaardigheid, om een beter leven voor zichzelf en voor hun kinderen: als het geen heel brood kan zijn, dan toch tenminste de kruimels van dat brood: een kruimeltje van onze barmhartigheid, een kruimeltje van onze liefde en aandacht, een kruimeltje van de geborgenheid die God aan heel de mensheid aanbiedt... Het zou al een wereld van verschil maken!

Paulus in de Tweede lezing beweegt zijn volksgenoten, d.w.z. de Joodse christenen, ertoe om te tonen dat zij het wáárd zijn om Gods volk te heten. Christen zijn is immers geen quaestie van “eigen volk eerst” [cf. Lk 4,23-30] of “gedoopt-dus-gered” [cf. Mk 16,16: Mt 5,20. 7,21. 18,3. 19,16-30]. Nee, gelovigen zijn geroepen om wáár te maken dat ze christenen heten, door steeds meer op Christus te lijken in houding, woord en daad [cf. Rm 15,5. Fil 2,5]. Hij wordt geraakt door deze vreemdelinge, deze moeder in nood met haar diepe geloof, haar oprechte liefde en haar vurige verlangen naar het goede voor haar dochtertje, en Hij geeft haar nu al waarom zij vraagt [Mt 15,28b].

Wij komen samen rond de tafel van de Heer. In de ogen van God is geen mens een hond [cf. 1S 24,15. 2S 9,8. 2K 8,13]. “Geen mens zult Gij vergeten” [Eucharistisch gebed VI]. Wij allen, “eigen volk” en “vreemdelingen”, trouwe kerkgangers, zoekenden en mensen die om wat voor reden dan ook wat meer aan de zijlijn terecht zijn gekomen – àllen verlangen wij in onze situatie om deel te krijgen aan het Brood van de tafel, aan al het goede van God. Dan kunnen wij dit ook [uit dankbaarheid en van harte] delen met de medemensen die wij onderweg ontmoeten: vriend en vreemdeling [Mt 10,8]; outsiders worden insiders.

Moge onze deelname aan het Brood dat Hij Zelf is, ons steeds meer gelijkvormig maken met Hem, ons herkenbaar maken als kinderen van God – omwille van het welzijn en omwille van het heil van ons en van alle mensen van goede wil. Amen.

Pater Mark-Robin Hoogland cp, Provinciaal van de Passionisten in Nederland