Voer voor filosofen

woensdag in de 6e week van Pasen, 19 mei 2020
evangelie: Johannes 16,12-15
Handelingen 17,15.22-18,1. Psalm 148


Paulus’ toespraak op de Areopagus geeft (evenals zijn brieven) ons inzicht hoe in die eerste periode het Evangelie werd verkondigd. Twee dingen vallen mij op: eerst dat Paulus aansluit bij zijn gehoor. Hij haakt in op iets wat de ongelovige Atheners al doen of hebben, en hij legt dan uit hoe dit past in het verhaal van God met de mensen. Dit kunnen de Atheners goed volgen.

Vervolgens spitst hij dit toe op Christus, als sluitsteen, als toetssteen. We zien dan veel mensen afhaken; de verrijzenis uit de dood gaat te ver voor de filosofisch ingestelde Atheners; zij kunnen het zich niet voorstellen en dáárom kunnen ze er niks mee. Ze hebben daarbij nooit eerder van de verrijzenis gehoord [cf. Joh 16,12]. Zij lijken daarmee op de Westerse mens.

Maar Paulus laat zich niet afschrikken: het verhaal van Gods schepping, bestuur en vergeving [Hnd 17,22-30], het verhaal van het zoeken naar God en goed zijn voor elkaar, kan gelovig niet los gezien worden van het lijden en verrijzen van Jezus Christus [Hnd 17,31vv]. Mensen mogen daarbij afhaken, maar zonder die verbinding in ons geloof en in onze verkondiging (in woord en daad), blijven we net als de Atheners hangen in een soort algemeen mystiek godsbegrip [Hnd 17,27v] dat dient om onszelf te bevestigen ("De meeste mensen deugen"?) en ons samenleven te ordenen ("family values") – en niets meer.

Saillant detail: dit verhaal speelt zich af op de Areopagus [met uitzicht op de Akropolis], dat betekent “heuvel van Ares,” de Griekse god van de oorlog. Juist dáár moet de Koning van de vrede [Lk 19,38] bekend worden gemaakt, ook door ons. Amen.

Pater Mark-Robin Hoogland C.P., Provinciaal van de Passionisten in Nederland