Praktijkonderwijs

21e zondag door het jaar, 25 augustus 2019
evangelie: Lukas 13,22-30
Jesaja 66,18-21. Psalm 117. Hebreeën 12,5-7.11-13

Als je in het buitenland werkt, op vakantie of op bedevaart gaat, kun je geraakt worden door de godsdienstigheid van de bevolking daar. Zo staat Nairobi, de hoofdstad van Kenia, bekend als “het Vaticaan van Afrika”. In Brazilië zijn veel kerken en de bevolking is zeer kerkbetrokken. In Indonesië schalt het van ’s morgens tot ’s avonds meermalen vanaf de moskee dat God groot is. Ik noem maar een paar voorbeelden uit eigen ervaring. Je kunt er een beetje jaloers van worden: zij zijn zo godsdienstig, wij niet.

Welbeschouwd betreft dit het uiterlijke. In elk van deze landen kun je ook schaduwzijden aanwijzen. In Kenia kan ik niet alleen over straat; er zijn veel overvallen en geweld, ook tussen stammen. Eens sprak een Braziliaan mij erop aan dat in Nederland zo weinig mensen naar de kerk gaan. Ik had ook een vraag voor hem: “Hoe kan het dat in zo’n godsdienstig land als Brazilië zoveel moorden worden gepleegd; hoe valt dat met elkaar te rijmen?” Ik hoopte oprecht op een antwoord, maar een pijnlijke stilte volgde. In al deze drie landen is veel corruptie. In Indonesië wordt op sommige plekken de bevolking bewust arm en dom gehouden. En in zowel Brazilië als in Indonesië wordt met het regenwoud, met Gods schepping, omgegaan alsof zij niet kapot kàn.

Het omgekeerde zien we ook: in het zo geseculariseerde Nederland worden vele christelijke waarden ten volle door niet-gelovigen aanvaard en gevolgd. Velen zetten zich vrijwillig in voor rechtvaardigheid en voor hulp aan hen die het minder goed hebben en op straat is het in principe veilig. Corruptie, geweld en moord, de aantasting van de natuur, bijna iedereen hier vindt het onaanvaardbaar. Dit hebben wij echt niet van de Germanen!

Tegelijkertijd worden in Nederland Kerk en godsdienst steeds meer uit het publieke domein geweerd. Ook zien we hoe de geloofsgemeenschap zichzelf steeds meer terugtrekt op haar eigen eiland. Gelovigen richten hun blik steeds meer naar binnen; de wereld “daarbuiten” lijkt een woestijn. Binnen vechten mensen elkaar de tent uit over welke liederen er gezongen mogen worden en wie ter communie mag – alsof het met de geloofskrisis en de Kerk in ons land wel goed komt, als wij intern de zaken weer “goed op orde” brengen.

Jezus toont ons vandaag een andere weg. Mensen die naar Jezus’ onderricht hebben geluisterd en die met Hem hebben gegeten en gedronken, worden mogelijk niet binnengelaten in Gods huis! [Lk 13,26] Deelname aan de Eucharistie is geen toegangsbewijs tot het huis van God. Het is een boodschap die ons, godsdienstige mensen, mag verontrusten – hoop ik, tenminste. Bijbel lezen, bidden en Eucharistie vieren zijn niet voldoende; “Ga weg allemaal, bedrijvers van onrecht die u bent!” [Lk 13,28]. M.a.w., het komt erop aan dat wij datgene wat we van de Heer leren, in praktijk brengen: doen wij in onze houding, woorden en daden recht aan God en medemensen? “Geef aan God wat God toekomt en aan een mens wat de mens toekomt” [cf. Lk 20,25]. Laten wij ons leven dáádwerkelijk veranderen door het voorbeeld en de woorden van Jezus Christus? Of beperkt ons geloven zich tot ’s zondags in de kerk: brengen wij in onszelf a.h.w. een scheiding aan tussen Kerk en staat, tussen geloven en het dagelijkse leven?

In de ogen van Jezus zijn geloof in God en het dagelijkse leven onlosmakelijk met elkaar verweven [Lk 10,25-11,13]. In Westerse landen zijn we misschien wat beter in het laten toekomen wat de mens toebehoort. We noemen dit medemenselijkheid, beschaafdheid en fatsoen. In andere delen van de wereld is men misschien wat beter in het laten toekomen wat God toebehoort: onze eerbied, ontzag, dankbaarheid, vertrouwen en toewijding [Ps 117 etc.].

Jezus gaat nòg een stap verder in de omkering. Velen [Mt 19,30. Mk 10,31] die denken dat ze bekenden zijn voor de Heer, blijken onbekenden voor Hem [Lk 13,25b]. Zij die “eer aan God” niet weten te verbinden met “vrede op aarde” [Lk 2,14 >> het Gloria cf. Ba 5,4], hebben het niet begrepen. Anderzijds zijn er mensen die – ironisch genoeg – niet doorgaan als voorbeeldgelovigen, maar juist wel huisgenoten van God blijken [Ef 2,19]. Kortom, het is niet zo dat een bepaalde groep beter zou zijn; Jezus leert ons om niet te denken in “wij-en-zij”; zij die de weg van de gerechtigheid bewandelen, komen òveral vandaan [Lk 13,29a]. Zij zijn welkom in Zijn huis [Ps 15]. Zij zijn uitgenodigd voor het Avondmaal [Lk 13,29b]. Zij waren laatsten [cf. “de volkeren” Js 66,18]
– ver verwijderd van Jeruzalem, ver weg van het centrum van “het ware geloof” – maar zij worden eersten [Js 66,21. Mt 21,28-31. Lk 7,9 cf. Joh 4,21-23].

Ik moet denken aan het verkeer in Jakarta: één grote chaos, waarin elke verkeersdeelnemer vecht voor zijn eigen plekje. Letterlijk elke centimeter wordt benut, om de ander geen ruimte te geven, voor te dringen en verkeersregels te negeren. Dagelijks vallen er slachtoffers. Zo’n godsdienstig land, maar in de gewone omgang met elkaar, bijv. op de weg, is daar niets van te merken.

Zulke buitenlandse ervaringen mogen werken als een spiegel voor ons, gelovigen. Jezus’ oproep “Doe wat u kunt om door de nauwe deur binnen te komen” [Lk 13,24] betekent niet “ieder voor zich en God voor ons allen” noch “het doel heiligt de middelen” of eigen rechter spelen. Integendeel! Inderdaad, je wòrdt laatste als je een ander helpt en voor laat gaan. Maar, zulke laatsten worden eersten. Wie daarentegen zichzelf de eerste maakt, wordt de aller, allerlaatste; tijdens dit leven nog en zeker hierna [Lk 13,28-30. 14,7-11].

In het vieren van Eucharistie gedenken wij de Eerste Die Zichzelf tot Laatste maakte omwille van ons [Fil 2,6-9 cf. Js 41,4. 44,6. Ap 22,13]. Moge het aanzitten aan Zijn maaltijd [cf. Lk 13,29] hier ons inspireren om in verbondenheid met Hem te leven zoals Hij [Fil 2,5]
– tot het welzijn en het heil van onszelf en van alle huisgenoten van God. Amen.

Pater Mark-Robin Hoogland C.P., Provinciaal van de Passionisten in Nederland