75 is het nieuwe 30

19e zondag door het jaar, 11 augustus 2019
evangelie: Lukas 12,35-40
Wijsheid 18,6-9. Psalm 33. Hebreeën 11,1-2.8-19

Wij zijn vreemdelingen. Vreemdelingen in eigen land. Niet vanwege migranten, maar vanwege mensen hier geboren. Wij, katholieken, kerkgangers, zijn vreemdelingen geworden. Of je nu student bent of pensioengerechtigd of ergens daar tussenin, als je kijkt naar vrienden, familie, buren, collega’s, ben je misschien wel de enige die bewust gelovig en kerkbetrokken is. Als iemand in de media zegt dat hij/zij gelovig is, fronst dit de wenkbrauwen, tenzij de geïnterviewde Herman Finkers heet. Ja, in Nederland zijn wij, gelovigen, vreemdelingen geworden.

Tegelijkertijd gelooft iedereen. We geloven dat het wel goed zit. We geloven dat het wel goed komt. En we geloven in elkaar, anders zouden we überhaupt niet kunnen samenleven. Geloven hóórt bij ons mens zijn.

Alleen, geloven in Degene Die we God noemen, dat gaat voor menigeen te ver. En waarom zou je ook? Want “als er iets misgaat, grijpt Hij toch niet in” en we krijgen zelf steeds meer grip op het leven en de dood. M.a.w., God voldoet niet aan onze verwachtingen en “we hebben God niet eens nodig.”

In de Bijbel is Abraham dè voorbeeldgelovige [Rm 4,11. Ga 3,9]. In de lezing uit de Brief aan de Hebreeën wordt beschreven welke rol zijn geloofsvertrouwen speelde in zijn leven. Het is een heel verhaal en het is misschien niet meteen duidelijk: God spreekt Abraham aan en hoewel hij God niet kende, breekt hij zijn tent op en vertrekt naar een volstrekt onbekend land dat God hem "belooft"! Meer nog, toen dit gebeurde was Abraham al 75 jaar oud!! [Gn 12,1-4] Oude bomen moet je niet verplanten, zeggen we wel. Hoe ouder je wordt, des te moeilijker wordt het om te verhuizen.

Abraham ging echter op z’n 75e nog naar een vreemd land om daar een geheel nieuwe start te maken. “Door zijn geloof woonde hij in tenten” [Heb 11,9], lezen we, d.w.z.: zonder vaste verblijfplaats, voortdurend gereed om verder te trekken; zonder enige zekerheid behalve Gods belofte. En Abraham kende “God” dus niet eens! Zijn geloof werd zelfs zo groot, dat hij zijn enige zoon, Isaak, de enige zekerheid die hij had gekregen in zijn leven, nog zou opofferen, als dat had gemoeten [Heb 11,17: Gn 22,1-18].

Dat kon hij allemaal doen omdat hij “geloofde”. Wat is dat voor een geloof? Wij kennen Jezus Christus, wij hebben medegelovigen, de Schrift, de sacramenten enz. die ons helpen om met geloofsvertrouwen te leven. Maar Abraham had dat allemaal niet. Gelovigen van nu voelen zich misschien vreemdelingen, maar Abraham was als eerste gelovige pas echt vreemdeling!

Ter vergelijking: iemand van 75 gaat naar een aanleunwoning: met goede voorzieningen, maar wel weg van de vertrouwde plek. Ook al heeft deze 75-jarige steun aan zijn/haar geloof door contacten, gebed en kerkgang, toch voelt deze mens zich door de komende veranderingen vervreemd, onzeker en onrustig. Wat is dat voor een geloof?

Of, het omgekeerde: als studentenpastor ontmoette ik een jongen van 18. Hij kwam van het platteland, ging studeren in Rotterdam. Z’n ouders waren gescheiden. Hij had geen goed contact met de rest van de familie en geen echte vrienden. Hier had hij niks, alleen een kleine kamer. “Maar,” zei hij, “het is net of ik hierheen gedragen ben, voortgestuwd. Zo zoek ik m’n weg door het leven. Ik vertrouw erop dat het goed komt.” Wat is dat voor een geloof?

Voor Abraham is zijn geloof de vaste grond van zijn hoop op de dingen die nog onzichtbaar zijn. Zijn geloof is de vaste grond waar hij zijn tent opzet en waarop hij weer verder trekt, op weg naar de stad die door God is gebouwd [Heb 11,1.9v. Ap 21,2]. Geloof geeft hem een soort basisvertrouwen, wat er ook gebeurt. Wat-er-ook-gebeurt. En dan gebeurt het dat Abraham en vele gelovigen na hem “gestorven zijn zonder te ontvangen wat hun beloofd was [….] Zij hebben zichzelf vreemdelingen en voorbijgangers op aarde genoemd” [Heb 11,13]. Kortom, Gods belofte stáát. Dus, zegt de Tweede lezing, als gelovigen Gods belofte niet in vervulling zien gaan voordat hun aardse tent wordt neergehaald [2Kor 5,1], zullen zij de vervulling ervan ná dit aardse leven zien, als ze werkelijk thuis komen [Heb 11,16 cf. Rm 9,6-13].

Zoals bij Abraham, maar even goed in de situatie van een 75-jarige anno nu of van een jonge student: geloven, basisvertrouwen in God, heeft dus niet te maken met het-moet-nu of met heimwee naar vroeger [Heb 11,15]. Het gaat bij geloven juist om het tegemoet leven van de toekomst, ook al verwacht je er niet zoveel van vanwege je leeftijd of je verleden [Heb 11,11v].

Juist doordat Abraham dat basisvertrouwen had in God en in de toekomst die God voor hem openlegde, kreeg hij meer zelfvertrouwen; hoe had hij anders op z’n 75e nog aan iets totaal nieuws kunnen beginnen? Juist doordat Abraham geloofde, kon hij met anderen samenleven, ook al was hij en voelde hij zich een vreemdeling.

Zoals gezegd zijn ook wij vreemdelingen in zekere zin. Maar dus niet helemaal zoals Abraham; hij zag het heil alleen uit de verte [Heb 11,13]. Door de komst van Jezus Christus is ons heil echter al genaderd: God Zelf is ons rakelings nabij gekomen [Mt 1,23], reisgenoot van ons geworden, Hij heeft ons reisgenoten gemaakt van elkaar en voedt ons onderweg, zoals we hier steeds weer vieren. Hij is hier als degene die bedient [cf. Lk 12,37]. Door samen Eucharistie te vieren en elkaar in liefde te dienen, zien wij het beloofde heil groeien, soms, even, al is het misschien langzamer dan we hadden gehoopt.

Moge zo ons geloofsvertrouwen levend blijven, zoals bij de dienaars in het evangelie [Lk 12,35-38]: gereed, bewust en alert, wakker, met de lampen brandend – ons gebed is als de lampenolie – en met een welkome houding. Want Hij laat Zich ontmoeten hier en overal, overdag èn als alles duister is, onverwachts [Lk 12,40]
– omwille van ons welzijn en omwille van ons heil. God-dank! Amen.

Pater Mark-Robin Hoogland C.P., Provinciaal van de Passionisten in Nederland