Bidden kun je leren

17e zondag door het jaar, 28 juli 2019
evangelie: Lukas 11,1-13
Genesis 18,20-32. Psalm 138. Kolossenzen 2,12-14

Leer ons bidden, vragen Jezus’ leerlingen Hem. Zij vragen dit, omdat zij Hem zien bidden en ook anderen buiten hun kring. Het intrigeert hun blijkbaar; wat gebeurt daar toch? Kunnen wij dat ook leren? Ja, dat kan!

We bidden samen: hier in de kerk, aan tafel voor en na het eten en op andere momenten. Wij Passionisten bidden dagelijks op vaste tijden samen in de kapel. Het zijn gebeden die wij geleerd hebben: uit de Bijbel zoals de psalmen, het Onze Vader en het Wees Gegroet [Lk 1,28.42], uit de traditie erna, en onze eigen gebeden. Als we sámen bidden versterken we de onderlinge band en versterken wij elkaars geloofsvertrouwen; we nemen elkaar mee op weg naar het Koninkrijk van God.

Veel mensen bidden daarbij ook alleen, zoals Jezus in het evangelie vandaag. Dit kunnen bestaande gebeden zijn bijv. uit een gebedenboek of het getijdengebed. Het kunnen ook eigen gebeden zijn: spontaan je hart laten spreken.

Toen ik studentenpastor was in Rotterdam, viel het mij op dat weliswaar weinig studenten naar de kerk gingen op zondag – “Het is ook zo vroeg, Pater!” – maar dat velen wel bidden, zelfs als zij het niet thuis hadden meegekregen! Zij hebben het niet van iemand geleerd, maar zij doen het impulsief. Het is hun ingegeven door de Geest, zeggen wij dan gelovig [Rm 8,26. Ef 6,18].

Bidden kunnen we omschrijven als “praten met God” – en ja, daar is nog veel meer over te zeggen: dat bidden altijd antwoorden is, dat dankbaarheid en vertrouwen een rol spelen enz., maar: “praten met God” is de kern. En dat veronderstelt dat wij ervan uitgaan of tenminste vermoeden dat wij worden gehoord. Bidden impliceert dat ons danken, vragen en klagen bij iemand [en niet bij “iets”] aankomt, bij Degene Die wij God noemen.

Als Jezus Zijn leerlingen bidden leert, leert Hij hun eerst bepaalde woorden: het Onze Vader. Dit gebed opent ons hart voor God. De woorden van het Onze Vader helpen ons, want ja, wat moet je tegen “God” zeggen? [Zo leren we om een goede houding aan te nemen jegens Hem [cf. Lk 18,10-14]: om ons bewust te worden dat Hij ons hoort, dat Hij de oorsprong is van ons bestaan, dat Hij met ons verbonden is en wij met Hem, dat Hij het goede voor ons wil, dat wij Hem nodig hebben om gelukkig (samen) te leven, dat Hij het doel is van ons bestaan. Kortom, het Onze Vader doet ons beseffen waar wij staan en waarheen wij willen gaan.] Het Onze Vader schept a.h.w. de ruimte waarin wij onze eigen gebeden kunnen formuleren.

Toch kan dat nog een beetje formeel en afstandelijk blijven. Dan blijven we steken in het afraffelen van een Onze Vader en een Wees Gegroet en van de psalmen. Het opzeggen van gebeden is nog geen bidden! [cf. Js 29,13. Lk 20,47]

Hoe Abraham in de Eerste lezing tot de Heer bidt, is dan wel het andere uiterste: super informeel, als hij aandringt en een beroep doet op Diens barmhartigheid. Ik denk niet dat iemand van ons zo van z’n ouders of op school heeft leren bidden. En ik denk dat niemand van ons zo z’n kinderen heeft geleerd om te bidden. Maar… het is toch wel een goed idee!

Want ook Jezus in het evangelie leert ons in de voorbeelden die Hij geeft, open en vrijmoedige houdingen in ons gebed. Hij vergelijkt ons bidden met vragen aan een goede vriend. M.a.w., ons gebed veronderstelt een goede band. Iemand die alleen bij je aanklopt als die wat nodig heeft en verder nooit van zich laat horen, is geen echte vriend [cf. Lk 11,7: “die ander”]. Vriendschap betekent vertrouwen en eerlijk en vrij met elkaar omgaan. Abraham wordt in de Bijbel meermalen “vriend van God” genoemd [2Kr 20,7. Js 41,8. Jak 2,23]. Vandaar!

De tweede vergelijking is die van het vragen van een kind aan z’n vader. Er is een onverbrekelijke band tussen ouders en hun kinderen, tussen Schepper en schepsel en tussen God en ons. Die band wordt gekenmerkt door liefde. Daarom kunnen wij àltijd aan Hem vragen wat in onze ogen goed is, leven geeft en gelukkig maakt [cf. Heb 4,16].

Door God Die onze Vader is, worden wij gehoord, als wij bidden. Een van de bekendste gebeden is wel “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten” [Ps 22,2 cf. Mt 27,46. Mk 15,34]; dit zijn de eerste woorden van Psalm 22. Na een lange klaagzang ervaart degene die bidt: “Gij antwoordt mij” [Ps 22,22]. Meteen volgt dan Psalm 23, een nòg bekender gebed: “De Heer is mijn herder; het ontbreekt mij aan niets.” “Gij vergeet het maaksel van Uw handen niet” [Ps 138,8 cf. Js 49,14-16].

Wij worden gehoord als wij bidden. Dat geef vertrouwen, moed en hoop. Maar dit betekent niet dat we altijd krijgen waar we om vragen. Abraham bidt om het behoud van de stad, maar zij wordt toch verwoest [Gn 19,12-29]. Jezus Zelf, nota bene, bidt in Gethsemane meer dan eens “Laat deze kelk aan Mij voorbijgaan” [Mt 26,39.42. par.]. Maar Hij zal de zure wijn drinken, met droesem en al, zogezegd [Ps 75,9 cf. 60,5. Mt 27,48 par.].

Dus, niet al het kwade wordt tegengehouden als wij erom bidden. Dat kan enorm teleurstellen. Onze Vader lost (net als onze biologische ouders trouwens) blijkbaar niet alle problemen even voor ons op; vaak moeten we er doorheen. Bidden maakt ons bewust dat wij er wel zelf maar niet alleen doorheen gaan. Door te bidden, zo leert Jezus Zijn leerlingen, onderhouden wij en versterken wij de band met Hem – zoals wanneer vrienden contact maken met elkaar, al is het midden in de nacht, en zoals kinderen contact maken met hun ouders om het goede en leven gevende te ontvangen: liefde, troost, kracht en moed als voedsel voor onderweg. Het zijn gaven van de Heilige Geest Die Hij ons geeft [Lk 11,13]. Door te bidden groeien wij – ondanks van alles – in het vertrouwen op de toekomst die in Gods hand ligt.

Zo komt Jezus met de dood voor ogen niet tot wanhoop, maar tot volledige overgave: “Uw wil geschiede” [Mt 6,10. 26,42. Lk 22,42. 23,46 cf. 2Kor 5,7]. De Heer helpt ons tot het uiterste toe, ook al zien we dit misschien pas achteraf [cf. Ex 33,18-23. 1Kor 13,12]. Pas na lijden en dood komt de Verrijzenis.

Kortom, bidden leren we van Abraham, in de Geest van Jezus Christus en door het te doen, samen en alleen: de vaste gebeden die ons worden aangereikt, en onze eigen gebeden. Mogen wij zo toenemen in vertrouwen en leven nú met geloof, hoop en liefde, tot wij thuiskomen bij Hem, voorgoed. Amen.

Pater Mark-Robin Hoogland C.P., Provinciaal van de Passionisten in Nederland