Tastbaar concrete zekerheid

Sacramentsdag, donderdag 20 juni 2019 of zondag 23 juni 2019
evangelie: Lukas 9,11b-17
Genesis 14,18-20. Psalm 110. 1Korinthiërs 11,23-26

Hoe je het ook bekijkt, de tijden zijn altijd onzeker. Misschien gaat het in je eigen leven best wel goed, maar er kan altijd iets tussenkomen, zogezegd. Toch, óók als het goed gaat, hebben we behoefte aan tastbaar concrete zekerheid. Dit is niet typisch iets van deze tijd. Wij leven niet van brood alleen [Lk 4,4]; maar omdat wij lichamelijk zijn, hebben wij aan alléén het geestelijke als houvast niet genoeg. Wij zijn geen engelen, zogezegd!

God weet dit. Zo heeft Hij ons gemaakt: lichaam en ziel. Zo zorgt de goede God ook voor ons, zo brengen de Bijbelse verhalen ons vandaag in herinnering. Hij redt Zijn volk van vijanden die angst inboezemen en levensbedreigend zijn [Gn 14,20. Ps 110,1]. En zoals eens het volk van God in de woestijn gevoed werd met manna uit de hemel, zo geeft Hij ook ons wanneer wij op een eenzame plaats zijn, brood om van te leven [cf. Lk 9,21b. Joh 10,10].

De sacramenten zijn bijzondere middelen waarmee de Heer Zelf ons te hulp komt en voor ons zorgt. Hierbij gebruikt Hij steeds heel eenvoudige, alledaagse elementen – water bij het doopsel, olijfolie bij de zalvingen, brood en wijn bij de Eucharistie, niks spectaculairs. Iets daarvan wordt apart genomen en bestemd als drager van het heilige, van het heilzame van Godswege.

Dit klinkt misschien ingewikkeld, maar in feite doen wij dit allemaal spontaan al. Denk maar aan kaarsen. Als het donker wordt, kun je een kaars aansteken en op tafel zetten. Dat geeft licht en gezelligheid bovendien. Heel gewoon. Maar als je diezelfde kaars bij een foto van een overleden geliefde zet, dan heb je het gewone apart genomen en bestemd voor een bijzondere, diepere, religieuze handeling. Het aansteken van een kaars bij zo’n foto is als een gebed; het verlicht je herinnering en verdrijft de duisternis uit je hart. Hetzelfde geldt voor het opsteken van een kaars in kerk of kapel, een aparte, heilige ruimte. Daarom worden kaarsen voor dit doel dikwijls gezegend of gewijd: weggenomen uit het alledaagse en bestemd voor het heilige, om er een religieuze handeling mee te verrichten.

Zo gebeurt dat dus ook bij de zeven sacramenten. Wat de Eucharistie betreft, brood eten we veelal bij het ontbijt en bij de soep. “Een wijntje” drinken we bij het eten als er wat te vieren is, op verjaardagen of gewoon op een terras. Als wij nu Eucharistie vieren, worden deze twee – brood en wijn – uit het alledaagse genomen en bestemd om dragers te zijn van het heilige: het àllerheiligste zelfs: de aanwezigheid van de Heer! Brood en wijn, dat is geen toeval; brood betekent onze eerste levensbehoefte [Lk 11,3 cf. Mt 12,4] en wijn brengt genezing [cf. Lk 10,34] en vreugde [Ps 104,15. Sir 31,27].

Wij geloven dat bij de sacramenten niet wij het zijn die brood en wijn, olie en water nemen, maar Christus Zelf; wij, de geloofsgemeenschap, zijn de ontvangers. Wij hebben het niet zelf bedacht; Paulus herinnert ons in de Tweede Lezing eraan dat Jezus de Heer tijdens het Laatste Avondmaal brood en wijn uit het alledaagse heeft genomen en hiervoor heeft bestemd [1Kor 11,23-26]: voor een leven en een vreugde die het gewone eindeloos overtreffen. De Heer is het Zelf Die ons doopt, zalft, voedt en vergeeft. De bedienaar van de sacramenten is slechts een instrument in Zijn hand, niets meer.

Bij de sacramenten wordt dus van Godswege iets alledaags apart genomen en tot drager van het heilige gemaakt. Maar dit heeft, omgekeerd, weer een effect op het alledaagse. Doordat wij hier samen met de Heer aan tafel gaan, komt ook het aan tafel gaan bij ons thuis in een ander licht te staan. Want wanneer wij samen eten met onze dierbaren èn vreemden [cf. Gn 14,18-20. 18,1-15], kunnen we ervaren dat dit iets heel bijzonders is, ja, zelfs iets gezegends, iets heiligs, heilzaam; “waar vriendschap is en liefde, daar is God.” Zo in verbondenheid samen zijn is méér dan zomaar met anderen aan een tafel zitten. Als je het samen eten kunt zien als een geschenk, kun je er ook dank voor zeggen. Want niet alleen het voedsel is gegeven, ook wij zijn gegeven aan elkaar. Daarom is het zondig om een ander bewust in eenzaamheid te laten zitten [Ps 68,7 vgl. Mt 25,43].

Bidden voor het eten is een uitdrukking van die dankbaarheid: “Heer, zegen òns en deze gaven die wij door Uw goedheid mogen ontvangen, door Christus onze Heer.” Het doet mij denken aan de belofte die Jezus doet aan ons: “Waar twee of drie verenigd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in hun midden” [Mt 18,20].

Zo zien we dat in het evangelie van vandaag: het is een féést. Er is een enorme menigte die door Jezus wordt onderwezen. Gebroken en beschadigde mensen worden vervolgens door Hem genezen, zodat ze weer met anderen kunnen sámenleven. Ja, deze ontmoeting is een feest! De liefde krijgt gestalte in geestelijke en lichamelijke vorm: in onderricht, heilzame genezing en samen eten. Het vieren van dit feest lijkt zo opvallend veel op de Eucharistieviering: “Toen nam Jezus de broden [...] Hij keek op naar de hemel, sprak de zegenbede uit en brak ze, en gaf ze aan de leerlingen om aan de mensen uit te delen” [Lk 9,16 cf. 24,30].

In onzekere tijden verlangen we des te meer naar concrete zekerheid. Maar deze vinden we niet in meer regels of in een groots teken uit de hemel. Wie steeds zoekt naar meer controle of naar een wonder, wordt teleurgesteld en moe en kan zelfs angstig worden. Want zulke zekerheid krijgen we doorgaans niet [cf. Lk 11,29v].

Het leven gevende dat Jezus ons aanbiedt, ziet er aan de buitenkant misschien maar wat saai uit: vrienden en vreemden komen samen "op een eenzame plaats", weg van alle drukte [= kerkgebouw of kapel] en na gebeden en woorden uit de Schrift wordt brood gedeeld. Wie echter ziet dat juist in dit ogenschijnlijk gewone het bijzondere gebeurt, wie beseft dat het de Heer Zèlf is die ons samenbrengt, tot ons spreekt en de liefde in ons brandend houdt, die kan Hem ook ontmoeten in het brood waarin Hij Zichzelf aan ons geeft: “Dit is Mijn lichaam” [1Kor 11,24]. Zekerder, concreter dan dit wordt de aanwezigheid van de Heer in ons leven niet!

Als Hij Zich zo tastbaar en concreet verbindt met ons, kunnen wij léven met vertrouwen in verbondenheid met Hem: door regelmatig samen Eucharistie te vieren en door datgene wat wij hier dankbaar vieren ook in het dagelijkse leven in praktijk te brengen: aandacht voor elkaar en hulp, liefdevol en dankbaar; tastbaar en concreet, met hart en hoofd en handen. God-dank! Amen.

Pater Mark-Robin Hoogland C.P., Provinciaal van de Passionisten in Nederland