"Dat zie je verkeerd"

8e zondag door het jaar, 3 maart 2019 (de zondag voordat de Vastentijd begint: Aswoensdag, 6 maart a.s.)
evangelie: Lukas 6,39-45
Sirach 27,4-7. Psalm 92. 1Korinthiërs 15,54-58

Ik heb een oom die in gesprekken pleegt te zeggen: “Dat zie je verkeerd.” En dan komt zijn visie op het onderwerp. Ik vind dat een tamelijk irritante manier van discussiëren, want zo word je wel een beetje aan de kant gezet; jij ziet het verkeerd en hij zou wèl weten hoe het zit. Op zich zou dit kunnen natuurlijk. Maar “dat zie je verkeerd” wordt maar zelden gevolgd door feiten die je zouden overtuigen of door argumenten waarom iets goed zou zijn of verkeerd. Nee, hij brengt zo alleen zijn eigen mening naar voren. Als het over een mening gaat, kun je beter zeggen: “Ik zie dat anders.”

Maar ook als het gaat om je mening, is goed kunnen zien wel vereist. Je eigen mening en die kenbaar maken is weliswaar “een recht” – de vrijheid van meningsuiting – maar als die mening gebaseerd is op vooroordelen of onjuiste informatie, kan zij veel schade toebrengen, aan een ander en aan jezelf.

Wij hebben allemaal zo onze blinde vlekken. In de krant krijgen misdadigers een balkje voor hun ogen. Zonder dat wij het doorhebben, kunnen wij evenwel een balk ìn onze ogen hebben, het beruchte “bord voor je kop”. Als dat op een gegeven moment duidelijk wordt voor jezelf en voor de buitenwereld, kan dat bijzonder pijnlijk zijn. Hoe heb ik dat niet kunnen zien?!

“Haal eerst de balk uit je eigen oog, dan zul je scherp genoeg zien om de splinter te kunnen verwijderen die in het oog van je broeder/zuster zit” [Lk 6,42]. Waarachtigheid en geloofwaardigheid – ze zijn meer dan ooit cruciale quaesties: voor de Kerk en erbuiten [cf. nepnieuws] en evenzeer voor ieder van ons.

Net vóór de Vastentijd begint, roept Jezus ons op tot zelfkennis: niet alleen in psychologische zin, maar veel dieper, hoe je als mens voor God staat: met een zuiver hart? Met een oprechte intentie? Eens wat vaker in de spiegel [van de kapper?] kijken, is daarvoor niet voldoende. Want juist onze blinde vlekken, splinters en balken in onze ogen verhinderen ons om helder te zien.

Wat wij wel helder kunnen zien – zeker als wij hier samen komen – is dat wij leerlingen zijn: “de leerling staat niet boven zijn meester” [Lk 6,40a]. Wij komen hier niet zozeer om onszelf te bewijzen en te laten zien hoe gelovig wij wel niet zijn; wij komen hier om genezing van onze wonden en van onze blindheid, om gevoed te worden met het Woord en het Brood, om geloof, hoop en liefde te leren. Zo groeien wij in gelijkvormigheid met Hem in Wiens Naam wij zijn gedoopt en in Wie wij zoeken te geloven [Lk 6,40b cf. 6,36]. Hij houdt ons een spiegel voor. Confronterend kan dit zijn!

Wat wij ook tamelijk helder kunnen zien, is wat wij tot stand brengen [Sir 27,6 cf. Lk 6,43]. In onze kloostertuin hebben wij enige bomen die er niet uitzien, maar daar komen wel de lekkerste appels vandaan! Zeker, we kunnen nog steeds over het hoofd zien welke goede of slechte vruchten wij voortbrengen, maar dan hebben we nog medemensen die ons erop attent maken, ons een spiegel voorhouden: familie, vrienden en collega’s, opdrachtgevers, cliënten en concurrenten, medeleerlingen en docenten – lof èn kritiek bij wat we zeggen en doen helpt ons om een steeds beter inzicht te krijgen in wie wij van binnen zijn èn wie wij wìllen zijn! [Lk 6,44]

Blinden leiden blinden langs heilloze wegen [Lk 6,39]: we zien het om ons heen en misschien ook bij onszelf, ook al is het pas achteraf. We kunnen er onzeker en moedeloos van worden. Maar deze waarneming, dit bewustzijn, is des te meer reden om zèlf te verlangen om beter te zien en om uit de schatkamer van ons hart het goede naar boven te brengen [Lk 6,45. 1Kor 15,58], dat de Heer er nota bene Zelf ingelegd heeft [1Kor 4,7].

Waar het hart vol van is, loopt de mond van over [Lk 6,45]. Als ik hoor wat mensen er af en toe uitkramen, is het niet zo best gesteld met ons hart.

Maar hier worden wij uitgenodigd om balk en splinter uit ons oog te laten verwijderen. En zelfs als wij vervolgens gaan zien dat ons hart eigenlijk best wel leeg of donker is, dan nòg is dit hoopvol. Want het is de Heer Zelf Die het goede in ons blijft zaaien, zodat wij het goede voort kunnen brengen [Lk 8,5-8].

Leerlingen kunnen beter niet willen om boven hun goede Meester [Lk 18,18] te staan, maar wel om steeds meer op Hem te gaan lijken [Lk 6,36.40]. Het lijkt te hoog gegrepen? [nee, cf. Joh 14,12] Als wij in de ontmoeting met Hem en met mensen naar Zijn hart het balkje voor onze ogen of in onze ogen laten weghalen, zullen we zien met nieuwe ogen: dat de degene die naast je is je gegeven is; dat delen vermenigvuldigen is en gelukkig maakt; dat een vonk van het Vuur van Godswege brandt in ieder van ons.

Moge het vieren van de Eucharistie ons hiervoor de ogen openen, omwille van het goede samenleven nu en hierna. Amen.

Pater Mark-Robin Hoogland C.P., Provinciale Overste van de Passionisten in Nederland