Nashville voorbij

Feest van de Doop van de Heer, 13 januari 2019
evangelie: Lukas 3,15-16.21-22
Jesaja 40,1-5.9-11. Psalm 104. Titus 2,11-14.3,4-7


Maandagavond onderweg kwamen twee vragen bij mij boven: gaat mijn vlucht morgenochtend wel door – wegens een storm werden veel vluchten afgelast – en wat is toch die Nashvilleverklaring waarover op de radio zo heftig wordt gediscussieerd?

Mijn vlucht bleek gelukkig gewoon door te gaan en die storm zijn we al lang weer vergeten, maar “Nashville” is heel de week op de agenda gebleven: wat stáát er nu precies (volgens de opstellers, de vertalers en de ondertekenaars) en wat is de bedoeling ervan? Het is een verklaring van Amerikaanse dominees, maar zij raakt ook degenen die niet Amerikaans en niet protestants zijn. Christenen sluiten zich immers niet op in hun kerken; zij weten zich geroepen om iets bij te dragen aan de wereld.

Met een beroep op de Bijbel wordt in de Nashvilleverklaring het traditionele burgerlijke huwelijk als exclusieve relatievorm verdedigd. Vervolgens wordt de conclusie getrokken dat er voor homo’s, lesbiennes en transgenders geen ruimte zou zijn om op een duurzame manier verantwoordelijkheid te nemen voor elkaar. Deze boodschap heeft veel pijn en woede teweeg gebracht bij de mensen die het betreft en hun verwanten. Ook christenen die hier heel anders tegenover staan, zijn diep verontwaardigd. In de loop van de week werd ook steeds duidelijker dat de Nashvilleverklaring niet de blijde boodschap van het Evangelie weergeeft; hier wordt een conservatief burgerlijk idee overgoten met een sausje met een paar Bijbelse ingrediënten dat de naam christelijk niet mag dragen.

Deze hele discussie heeft alles te maken met het Feest dat wij vandaag vieren: de Doop van de Heer. Dit Feest is elk jaar weer aanleiding om stil te staan bij ons eigen doop (vandaar ook het Asperges me) en de implicaties ervan.

Het heilig doopsel is het basissacrament. Wie het doopsel ontvangen, treden binnen in de geloofsgemeenschap die de Kerk is. Ouders willen het beste voor hun kinderen; ouders hebben hun kinderen zo lief, dat zij hen meenemen in het leven met de goede God. Het doopsel is het binnentreden in het leven in de Geest van God. Elke dopeling wordt door de ambtsdrager die doopt als lid wèlkom geheten in de Kerk. Deze ambtsdrager doet dit namens God Zelf. Zoals we zojuist in het evangelie lazen, zegt de Eeuwige tegen iedereen die in Zijn Naam wordt gedoopt: “Jij bent Mijn geliefde zoon, jij bent Mijn geliefde dochter, in jou vind Ik vreugde” [Lk 3,22].

Het gebeurt dat mensen zich op latere leeftijd niet meer in de Kerk thuis voelen. Dat raakt mij diep, want het huis van de Ene is een thuis voor iedereen [Ps 87,5v etc.]. Wie daarom zeggen: “Ik hoor hier niet,” mogen zich realiseren dat – net als de Paus – iedere gedoopte een volwaardige plaats heeft in de Geloofsgemeenschap.

Om mij heen – buiten de Kerk, maar ook erbinnen wel – zie ik echter steeds vaker een manier van denken in termen van “wij” en “zij”: wij zijn zo, zij horen er niet bij. Opleiding en inkomen, afkomst, cultuur en subcultuur, een geestelijke of lichamelijke handicap, huidskleur of andere uiterlijke kenmerken, karakter en gedrag, een accent, politieke denkbeelden, sexuele geaardheid, geloof t/m de kleding die je draagt – het wordt gebruikt om tegen anderen te zeggen: “Jij hoort er niet bij.” En net zo erg is het als mensen het níét te horen krijgen, maar om die redenen wel volledig buitengesloten worden. We zien het zo veel, dat we het misschien gewoon zijn gaan vinden.

Binnen de Kerk, de gemeenschap van alle gedoopten, mag het er zo niet aan toe gaan [cf. 1Kor 12]. Het doopsel is namelijk het sacrament dat mensen insluit. Zoals Paulus schrijft aan Titus: niet omdat wij iets goeds gedaan zouden hebben, maar omdat God barmhartig is [Tit 3,5]. Als wij dan vinden dat iemand in de Kerk verkeerd bezig is, moet diegene dus niet op voorhand buitengesloten worden, maar moeten wij in de Geest van Christus er alles aan doen om diegene binnen te sluiten, weer in onze armen te sluiten. Dan hebben we niet zoiets als een Nashvilleverklaring nodig, maar dat we met diegene in gesprek te gaan: met onze vragen, bezorgdheid en kritiek èn met de bereidheid om van harte luisteren. Want pas als je elkaar echt ontmoet – dus met wederzijds respect, compassie en aandachtige gevoeligheid (zoals ook de katechismus ons in casu voorhoudt) – kun je elkaar leren kennen en gaan herkennen als mede-gedoopte.

Dan zal gaandeweg Degene in Wiens Naam wij gedoopt zijn ons allen vernieuwen, geheel en al: van binnenuit – want ieder van ons heeft vernieuwing nodig [Tit 3,6v]. “Vernieuw Gij mij, o, eeuwig Licht!” [cf. Ps 104,30]

Daarvoor komen wij hier samen. Op het Feest van de Doop van de Heer realiseren wij ons dat wij allen gedoopt zijn met de Heilige Geest en met vuur [Lk 3,16]. Laten we deze beweging van Godswege in ons vooral niet tegenwerken! Dan zullen wij in ons denken, willen en doen steeds meer gaan lijken op de welbeminde Zoon van God.

Moge het voedsel dat Hij ons in de Eucharistie aanreikt, ons doen groeien in gelijkenis met Hem: bezonnen, rechtvaardig en vroom [Tit 2,12], menslievend [Tit 3,4] en barmhartig [Tit 3,5]
– omwille van het welzijn van ons allen en omwille van het heil van ons allen. Amen.


Pater Mark-Robin Hoogland C.P., Provinciale Overste van de Passionisten in Nederland