Samenwonen in Gods huis

Feest van de H. Familie
evangelie: Lukas 2,41-52
1Samuël 1,20-28. Psalm 84. 1Johannes 3,1-2.21-24

Nu heb ik het geluk gekregen dat ik uit een vrijwel perfect gezin kom: vader en moeder als een heilige twee-eenheid in liefde samen; zij gaven liefde, geloof, warmte en bezorgdheid door [cf. Lk 2,48]; een zoon en een dochter die ‘relatief’ goed terecht zijn gekomen. Hierom voel ik mij gezegend. Dat gun ik iedereen.

Mij valt het dan op dat in de Bijbelse families, de gezinnen waar de grote verhalen over gaan, eigenlijk altijd wel haken en ogen zijn. Denk maar aan Abraham en Sarah met onvruchtbaarheid en een slavin als schaduwpartner. Soortgelijke spanningen waren er ook in het huwelijk van Elkana en Hanna en toen dan eindelijk Samuël geboren werd, stond zijn moeder haar zoon af aan de Tempel [Eerste lezing]. Of neem het huwelijk van de grote koning David en Michal (dochter van Saul): het was bepaald geen voorbeeld van wederzijdse liefde, met alle gevolgen van dien. Zelfs het gezin waar Jezus in grootgebracht werd, is vanuit het burgerlijke huwelijk gezien, niet ideaal. [Bovendien kàn het vanwege de unieke samenstelling niet zonder meer dienen als voorbeeld voor ons.]

Een grote fout die wij in de geschiedenis hebben gemaakt (en nog wel maken), is dat wij christelijke waarden en burgerlijke waarden als hetzelfde zijn gaan zien. Nu is de Kerk als instituut door de eeuwen heen wel onderdeel geworden van de gevestigde orde, maar tegelijkertijd is zij toch altijd een tegenover gebleven, gelukkig. Toen Paus Benedictus XV in 1920 dus het feest van de Heilige Familie instelde, deed hij dit om te benadrukken dat echtgenoten en hun kinderen in de veilige omgeving van het gezin moeten kunnen samenleven en opgroeien – dit als een reactie tegen bedreigingen van die tijd: de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog, het opkomende communisme en de extreme werktijden voor werknemers, waardoor zij nauwelijks nog tijd hadden voor hun gezin. Hoe actueel!

Dus, het burgerlijke huwelijk staat niet model voor het christelijke gezin, maar andersom: het in de praktijk brengen van christelijke waarden maakt dat een gezin christelijk kan heten: het voorleven en doorgeven van liefde, geloof, hoop [de theologische deugden d.w.z. ze verbinden ons met God] en dit voortdurend, dus in trouw, zorg voor elkaar en betrouwbaarheid, bij voor- en tegenspoed en niet alleen zolang het goed uitkomt en het gemakkelijk gaat.

Nu kan het best zijn dat dit in de praktijk gedeeltelijk overeenkomt met wat de Amerikanen “family values” noemen, maar ze kunnen er ook diametraal tegenover staan. Want binnen het traditionele gezin gaat het soms goed mis. En omgekeerd kan het heel goed en gebeurt het dat de christelijke waarden gestalte krijgen in een setting die afwijkt van man-vrouw-gehuwd-kinderen: dit blijkt in de praktijk van nu, maar dus ook al in de Bijbelse verhalen.

Waar gaat het dan om bij de Heilige Familie? Wat maakt de Heilige Familie heilig? Dat is de zegen van God, de Heilige! Want niemand is heilig, niets is heilig tenzij het door God Zelf heilig is gemáákt [cf. Js 8,13. Ap 14,4]. Het is niet zo dat wij ons best doen en zo heilig worden, alsof het onze verdienste zou zijn [Js 26,12. Fil 2,13], karma zogezegd. Nee, “heilig” noemen wij iets of iemand wanneer wij Gods werkzaamheid erin herkennen: zoals in het heilig Doopsel, het heilig Sacrament van het huwelijk, de heilige wijdingen en de heilige Eucharistie. Zo noemen wij ook de heiligen heilig omdat wij Gods werkzaamheid in deze gelovige mensen herkennen: kracht bij zwakte, rechtvaardigheid te midden van onrecht, eenvoud in plaats van weelde en moed in situaties van wanhoop [de kardinale deugden]. Mensen heilig noemen is wel een beetje riskant; mensen blijven mensen. Daarom worden mensen pas na hun overlijden officieel heilig genoemd, na grondig onderzoek.

In de geloofsbelijdenis zeggen wij dat wij geloven in de heilige katholieke Kerk. Dat wil zeggen: wij vertrouwen erop dat de geloofsgemeenschap die de Kerk is door God gezegend is, dat Hij in ons midden woont en ons helpt om te groeien in geloven en elkaar lief te hebben zoals Jezus deed en leerde [1Joh 3,23]. Er zitten bij ons allen wel wat haken en ogen aan, maar juist daarom worden wij geroepen en geholpen om zo samen Gods heilige familie te vormen: over de grenzen van afkomst, leeftijd, eigenbelang en voorkeuren heen.

Volgens Johannes in de Tweede lezing zijn wij al kinderen van God, nu al! [1Joh 3,1v] Laten we in het komende jaar dan ook zo met elkaar omgaan, als broers en zussen – en niet als losse individuen voor wie de vrijheid van meningsuiting het hoogste goed is en die toevallig door God samengeharkt zijn. Door het heilig Doopsel en door ons geloof zijn wij ten diepste met elkaar verbonden [cf. 1Joh 3,24] als in een door God geheiligde familie. Wij willen daarom van harte het goede, het leven gevende voor elkaar, ook al kost ons dat wel wat.

“Wij worden kinderen van God genoemd en wij zijn het ook” [1Joh 3,1]. Laten wij in dat bewustzijn dadelijk A.D. 2019 beginnen. Niet alles zal voorspoedig gaan. Maar wel zullen wij dan elke dag van binnenuit kunnen waarnemen dat wij samen bij God in huis wonen [Ps 34,9: Ps 84. Ef 2,19]. Door dik en dun zullen wij dan groeien in levenswijsheid en steeds meer ervaren dat wij gedragen worden door onze Vader Zelf en door andere heilige-familieleden [cf. Lk 2,52]. Moge het voor ons allen zo worden een Zalig Nieuwjaar. Amen.

Pater Mark-Robin Hoogland C.P., Provinciaal van de Passionisten in Nederland